Hij wil later zwerver worden. Want dan leef je altijd lekker in de vrije natuur. Al maanden vraagt hij met verlangen in zijn stem wanneer hij nu mag gaan zwerven. Of hij niet alvast een rondje alleen door de buurt mag lopen, om te oefenen. Het antwoord: “Als je achttien bent mag je doen wat je wilt”, ontlokt steevast een boze grom: “Dat duurt nog veel te lang!!”

Pogingen om uit te leggen dat zwerver worden niet echt een ambitie is die veel mensen bewust nastreven, dat de meeste mensen gaan zwerven nadat hun leven een beetje in de soep is gelopen, willen er niet in. Tja, je bent zeven en dan is er weinig aantrekkelijker dan slapen in een kartonnen doos. Dat je niet veel (lekkers) te eten hebt als zwerver is ook geen afknapper. Dan komt hij toch gewoon af en toe bij moeder langs voor een boterham?
Sinds de verhuizing van gehucht naar stad is er af en toe een zwerver in de straat. Met een blauwe vuilniszak over zijn schouder sjokt hij naar het winkelcentrum, soms achterstevoren. Vaak staat hij even stil, rustig te kijken naar de buitenwereld die hem nauwelijks lijkt te zien staan. “Kijk, zo zie je er dan later ongeveer uit”, wijs ik mijn aspirant-zwervertje aan als we erlangs rijden. Dat moet hij van dichterbij zien. “Wat wil je daar dan?”, zeg ik met tegenzin. “Hem iets geven…. Een euro!” “Die heb je niet bij je.” “Dan leen ik die van jou en krijg je die straks terug uit mijn spaarpot thuis.” Vertederd door zijn vrijgevigheid laat ik me verleiden.

De zwever staat niet meer op de plek waar hij net stond; hij zit honderd meter verderop op een bankje. Zal ik de escape nemen, of gaan voor een pedagogisch buitenkansje? De aanblik en geur van een echte zwerver moet toch een ontmoedigend effect hebben. Dichterbij gekomen zie ik dat de man continu voor- en achteruit wiegt met zijn bovenlichaam. Toch maar even waarschuwen: “Het kan zijn dat hij een beetje raar doet. Misschien heeft hij wat biertjes teveel gedronken.”
De man kijkt verbaasd op als we voor zijn neus stoppen. Zijn haren zijn vervilt tot klittende dreadlocks. Zijn handen zijn zwart en zijn nagels te lang. Naast hem staan drie lege bakjes aardappelsalade.  Zijn ogen blijken eenzelfde kleur blauw als zijn vuilniszak. Hij is gestopt met wiegen.
“Lieuwe wil u iets geven uit zijn spaarpot”, zeg ik. Even is de zevenjarige een seconde verbonden met zijn ideaalbeeld, via de euro die hij hem aangeeft. De man legt de munt naast zich op het bankje en kijkt demonstratief van ons weg. Geen behoefte aan een gesprek. Of pottenkijkers. “Lieuwe wil later ook zwerver worden”, zeg ik, om te verklaren waarom we daar nog steeds staan. “Maar voor de meeste mensen is dat geen bewuste keuze, he? Of wel?” Hij kijkt ons weer aan, zegt snel: “Voor mij wel” en kijkt weer van ons weg. Einde gesprek. “Nou, dan gaan we weer verder”, zeg ik luchtig, vooral tegen de kinderen. “Daag.”
“Zie je wel”, zegt de aspirant-zwerver zodra we ons hebben omgedraaid. “Het is wél zijn vrije keuze. Dat kan dus wél!” De relativering, dat de man dat misschien makkelijker vindt om te zeggen dan dat hij moet erkennen dat zijn leven een beetje anders is gelopen dan hij had gewild, wil er niet in. Deze zevenjarige laat zijn droom niet 1-2-3 los.
Die komt er wel.