Hij was 35 jaar missionaris in Congo. Hij is nu zeven jaar missionaris in Zuid-Limburg. Want missionaris, dat ben je voor het leven. Niet om ‘zieltjes te winnen’, want ‘dat regelt God zelf wel’. Wel om samen met een gemeenschap te leven en leren, te delen en ontvangen. Dicht bij de mensen, dus soms creatief met de regels. “Ik schreef tijdens mijn opleiding essays waar de Paus niet vrolijk van zou worden.” Pastoor René Graat, Mill Hill Missionaris, alias ‘Bombuli’, kijkt terug op zijn ervaringen.

Hij herinnert zich nog goed hoe in zijn jeugd de “ronselaars” van congregaties aan de deur kwamen bij zijn vader, met de vraag of er nog jongetjes woonden met interesse in het seminarie. “Hoe beleefd mijn vader normaal altijd was, zo beslist en kortaf was hij toen: Nee! Ze moesten niet aan zijn zoon komen”, herinnert René Graat (Heerlen, 1945) zich.

Geen stamhouder

Vooral voor zijn vader was het even slikken toen zijn oudste zoon op vijftienjarige leeftijd koos voor het Klein Seminarie van Mill Hill in Tilburg; een gymnasiumopleiding voor missionarissen. Hij had net een ernstig ongeluk overleefd, waarbij een stukje schedelbot in zijn hersenen was terechtgekomen en behoorde tot de vijf procent die zoiets destijds overleefde zonder blijvend letsel. In de maanden die hij daarna in bed lag, werd hem steeds duidelijker dat hij zijn leven dienstbaar wilde doorbrengen. Een kennis van zijn ouders was Mill Hill Missionaris in Congo en vertelde altijd bevlogen over zijn werk tussen de mensen. “Hij was heel gewoon; praatte niet over God of de missie. Hij inspireerde me geweldig en ik dacht: Laat ik het eens proberen.”
Na het Klein Seminarie volgde het Groot Seminarie in Roosendaal, om twee jaar filosofie te studeren, en daarna Londen, voor nog vier jaar theologie en aanverwante vakken. “Vlak voordat ik mijn eeuwige eed moest afleggen en dus bijna klaar was met de opleiding, kreeg ik te horen dat ik ‘uitgesteld’ was vanwege ‘a certain spiritual immaturity’. Daar ben je dan al negen jaar mee bezig. Op dat moment ging de gedachte door me heen: Niet verbitterd raken en niet boos worden. Ik ben ontvlambaar, zo was ook al uit een psychologische test tijdens de opleiding gebleken, dus die reactie kon onmogelijk van mij komen. Dat noem ik een godsontmoeting.”
Eén van de redenen voor zijn uitstel, waren de essays die hij soms schreef, ‘waar de Paus niet vrolijk van zou worden’. “Ik flapte eruit: ‘U hoeft ze toch niet op te sturen?’ Bij de opdracht om een essay te schrijven over waarom seks voor het huwelijk tot op het bot slecht was, maakte ik een onderscheid tussen mensen die al langer verloofd waren en nog op een eigen huis wachtten tot ze konden trouwen, of mensen die elkaar één avond ontmoetten. Dat was foute boel in de katholieke leer.” Een half jaar na zijn uitstel legde hij alsnog zijn eeuwige eed af.

Njakomba

Eén van de belangrijkste lessen die hij bij Mill Hill leerde was: Het eerste jaar dat je ergens op missie bent, doe je je mond alleen open om informatieve vragen te stellen. Geen discussie. In 1972 vertrok hij naar Congo, naar het bisdom Basankusu, zo goot als de Benelux. Achteraf noemt hij zijn ideeën destijds erg simpel. “Ik dacht dat ik heel veel wist, wat ik die mensen allemaal zou gaan vertellen. Maar toen ik aankwam, werd duidelijk dat ik eerst hun taal moest leren spreken.” Hij werd naar de Ngombe-stam gestuurd en leerde het Lingombe spreken.
Nooit heeft hij gestreefd naar het ‘bekeren van mensen’. “Dat is een groot misverstand over het missionariswerk, dat helaas nog steeds bestaat. De mensen in Congo wisten al lang voor de komst van missionarissen af van het bestaan van God. Ze hadden er een eigen woord voor:  Njakomba. Ik zag het niet als mijn taak om zoveel mogelijk mensen de kerk in te krijgen, maar om in woord en daad duidelijk te maken wie God is. In mijn ogen is hij een vader die van ons houdt. Niet iemand die met z’n bonnenboekje rondloopt om te zeggen: ‘Dat is fout en daar krijg je zoveel boete voor’.”

Blikvoer

In de praktijk stond René vooral in spijkerbroek en T-shirt, met zijn teenslippers in de klei, soms letterlijk. Het onderwijs was een taak van de missionarissen, dus hij regelde lesruimte, lesmateriaal en lonen voor docenten. Maar ook onderdak voor de familieleden van patiënten in het kleine ziekenhuis. Hij regelde samen met artsen een vaccinatieprogramma voor kinderen. Hij bezocht de dorpen in zijn parochie om de mis te vieren, kinderen te dopen, echtparen te trouwen of bijvoorbeeld zelf wegen te bouwen met de mensen.
“En ’s avonds lekker te klessebessen. De eerste keer dat ik het binnenland in ging, kreeg ik een aantal blikjes eten mee en iemand om het klaar te maken. De mensen zaten gezellig samen aan tafel en ik zat alleen met mijn blikvoer, omdat onze darmen niet bestand zouden zijn tegen landeigen eten. Dat was de eerste en de laatste keer. In 35 jaar tijd heb ik nooit darmproblemen van het eten gehad, het was heerlijk.”

Bombuli

In Congo heeft René zichzelf echt leren kennen, zegt hij wel eens. Via bijnamen die hij kreeg, werd hem door de bevolking een spiegel voorgehouden. Eén ervan is ‘bombuli’. “Een bombuli is een heel grote antilope met twee lange hoorns die eindigen als breinaalden. Je kunt met dat dier alle kanten op, behalve als ze jongen heeft. Dan komt ze in de zesde versnelling met die hoorns op je af. De mensen hadden gemerkte dat ik heel goed met kinderen overweg kon en woest werd als hen onrecht werd aangedaan.”
De Congolese bisschop Matondo, onder wiens verantwoordelijkheid hij werkte, heeft een belangrijke invloed op hem gehad. “Hij heeft me geweldig geïnspireerd. Hij stond voor ‘la pastorale d’ensemble’, oftewel ‘iedereen wordt zonder voorwaardes uitgenodigd om actief lid te zijn van de kerk.’ Die nadruk op de gemeenschap is heel erg Afrikaans. In Nederland is de maatschappij gebaseerd op organisatie. In Congo waren menselijke eigenschappen belangrijker dan je studie of status, of de vraag of je gedoopt was. Matondo begreep dat.”

Bisschop a.i.

In 1998, tijdens de Congolese burgeroorlog, werd Matondo overgeplaatst naar een ander bisdom. “Aangezien ik het meest met hem samenwerkte en ook tot de wat oudere garde behoorde, werd ik benoemd tot bisschop ad interim. Wie wil dat nou? Ik ben te weinig van de regels om bisschop te zijn, maar bovendien hebben we vanuit Mill Hill altijd gestreefd naar het eigen maken van de kerk door de bevolking. Er was een landeigen bisschop, die werd overgeplaatst en dan moest ineens een blanke weer de baas worden. Dat was een stap terug.”
Een paar jaar eerder had hij al een organiserende functie gekregen in Congo, omdat hij vanwege zijn rughernia niet meer op de slechte binnenlandwegen kon rijden. Het was een groot verdriet voor hem, het pure missiewerk op te moeten geven. Het aantreden van een nieuwe bisschop in 2001, de huidige Mokobe met wie het minder goed klikte, luidde het begin van het einde in. In 2007 besloot René om na de vakantie in Nederland niet meer terug te gaan naar Congo. Hij vond een plek in Zuid-Limburg, als pastoor van Banholt, Reijmerstok en Noorbeek.
Hij is er graag, omdat hij in de dorpen weer basispastoraal werk kan verrichten zoals hij het als missionaris in Afrika ook deed. “Maar 35 jaar is niet niks. Ik heb nog veel contacten met de mensen daar en stuur met behulp van de plaatselijke gemeenschap hier regelmatig geld. Dagelijks volg ik het nieuws uit Congo. Voor mijn gevoel zit ik nog steeds een beetje daar.”

De betrokkenheid bij de kerk is in Nederland flink teruggelopen in de 35 jaar dat hij in Congo zat. Is het een probleem dat steeds minder mensen naar de kerk gaan?

“Ik vind het vooral meer dan jammer, omdat ik denk dat een geloofsgemeenschap iets te bieden heeft. Het meedoen aan vieringen in de kerk, in een gemeenschap, sterkt mij; het geeft me nieuwe moed, meer inzicht en geduld. Dat gun ik anderen ook.”

Het seksueel misbruik van kinderen in de kerk, en bijvoorbeeld de affaire Hafmans, heeft weinig goed gedaan aan het kerkbezoek.

“De zondag nadat het rapport Deetman uitkwam in 2012, moest in alle katholieke kerken een brief worden voorgelezen van de aartsbisschop. In die brief zat geen enkele empathie. Die wilde ik niet voorlezen aan de mensen. Dus ik ben er met mijn eigen woorden over gaan praten in de dienst. Eerst in Reijmerstok, daarna in Banholt en tot slot in Noorbeek. Het werd steeds duidelijker voor me wat ik wilde zeggen en ik werd steeds emotioneler. De mensen werden muisstil. Ik vertelde op mijn manier dat hier niks van klopte. Hoe erg het is dat onschuldige mensen zo beschadigd zijn.”

Hoe kijkt u aan tegen de sluiting van kerken in bijvoorbeeld het bisdom Utrecht?

“Ik ben blij dat onze bisschop geen kerken in dorpen wil sluiten, want daarmee haal je  de ziel uit een dorp. Dat voelt hij beter aan dan de aartsbisschop van Utrecht. Mensen in de drie parochies worden opgeleid om voor te kunnen gaan in een woord- en communiedienst. Het is belangrijk dat ze hun eigen parochie voort kunnen zetten, ook als er na mij een pastoor komt voor nog meer parochies.”

U bent niet zo van de regels?

“Sommige vind ik moeilijk in de praktijk. In de katholieke leer leef je bijvoorbeeld na een echtscheiding met je nieuwe partner ‘in zonde’. Terwijl deze mensen het soms heel fijn vinden om met een priester stil te staan bij hun nieuwe verbintenis. Daar heb ik tot nu toe twee keer een creatieve invulling aan gegeven.”

Heeft u spijt dat u geen gezin hebt gesticht?

“Op dit moment heb ik daar geen spijt van, nee. Maar in het verleden heb ik wel eens gedacht; ‘Als ik die vrouw eerder was tegengekomen, was ik nu geen pastoor geweest.’ Ik ben meerder keren verliefd geweest en dan voel je dat er meer is dan een celibatair leven. Telkens dacht ik: ‘Ik ga hier toch mee door.’ Een keer stelde een vrouw voor om stiekem een relatie aan te gaan, zoals wel meer pastoors dat deden. Maar dat vond ik oneerlijk tegenover haar, mijzelf en de mensen in de parochie. Het zou voelen als gesjoemel.”

Heeft u ooit getwijfeld aan uw geloof?

“Ik heb nooit hevig getwijfeld aan het feit dat God er voor mij is. Maar ik denk wel eens: ‘God, als jij er bent, kun je dan niet eens meer doen voor die persoon? Kun je niet even laten weten dat je er bent?’ En als dat dan niet lijkt te gebeuren, heb ik wel eens een beetje moeite met God. Iedere ochtend zit ik twintig minuten stil en praat ik met hem. Dan heb ik echt het gevoel dat er iemand luistert, dat er contact is. Terugpraten valt helaas tegen; ik zou best wat vaker goede raad krijgen.”