‘Hier hoor ik nooit meer iets van’, dacht ik bij het invullen van het wedstrijdformulier. Ik hoefde niet eens een slagzin af te maken. Alleen mijn gegevens achterlaten in de winkel waar ik net mijn nieuwe wandelschoenen had gekocht en dan maakte ik kans op een minivakantie naar Oostenrijk voor twee personen.
Totaal onverwacht was er, op mijn eerste werkdag na de zomervakantie, een mailtje: ik had gewonnen. Licht ongelovig bekeek ik de tekst met foto’s, van het hotel en het Kleinwalsertal waar de reis naartoe zou gaan. Kon ik even bevestigen of ik op de aangegeven datum van de partij zou zijn? Zo’n zeven uur rijden voor vier overnachtingen, en dan weer zeven uur terug, leek me even best ‘een gedoetje’. Maar het totaalplaatje was toch te mooi om te laten schieten. Ik had geluk gehad, dan moest je dat ook pakken, vond ik.
Facultatief was er op dag één een wandeling met twee berggidsen voor alle geluksvogels. Vol goede zin begon ik aan de tocht die binnen no-time de prachtigste vergezichten opleverde die ik tot nu toe alleen uit ‘The sound of music’ kende. Het gras als een strakgespannen laken over de bergen. De ijskoude beekjes die hun weg omlaag zochten. De bergtoppen die oprezen achter elke wending van het pad. Het was allemaal nieuw en het was allemaal even ‘wunderbar’. We hadden ook enorm geluk met het weer: zonovergoten blauwe luchten met slechts hier een daar een wolk en nauwelijks wind. Hoe dichter we bij de top op ruim twee kilometer kwamen, hoe steiler en pittiger het pad werd. De gemzen, die ik kort daarvoor had zien huppelen over de toppen, lachten vast in hun vuistje bij de aanblik van mijn geklauter, maar ik bereikte het hoogste punt; euforie ten top. Wat een geluk.
Hoe luidde dat gezegde ook alweer? Dat er geen goed bestaat zonder kwaad, etcetera? We begonnen aan de afdaling. De gids leende me zijn stok, een ander reikte me regelmatig een hand en net toen we een uitdagend stukje voorbij waren en ik dacht: zo, nu is het beter te doen, verstapte ik mijn linkervoet. Krak, hoorde ik.

Het geluk was dat Dirk in mijn groepje zat: een Belgische oud-militair, die per parachute slachtoffers in het veld had opgezocht en verbonden. Dirk spalkte mijn enkel op inventieve wijze met wat hij voorhanden had en gaf me zijn twee stokken. Samen met de andere wandelaars begeleidde hij me nog anderhalf uur naar beneden. Zolang ik de voet plat neerzette en mijn gewicht vooral op de twee stokken liet rusten, ging dat redelijk pijnvrij. En zolang ik er niet aan dacht hoe hoog we nog zaten en hoe lang dit nog ging duren, kon ik mijn gemoed hoog houden. ‘Hoeveel weeg je?’, vroeg Dirk op zeker moment. ‘Hoezo, je gaat me toch niet dragen, he?’, zei ik olijk. ‘Als het moet’, zei hij monter. ‘Ik heb wel zwaarder getild’. Geen haar op mijn hoofd die eraan dacht als hooizak deze tocht te eindigen (hoeveel anitclimax kun je op een dag hebben?), maar het stelde me toch een beetje gerust dat ik in goede handen was.
Het laatste stuk van de berg kon ik achterop een quad stappen, bij een jongeman die me vaardig het steile bergpad af reed. ‘Entschuldigung das ich dich verdrükke!’, riep ik op mijn beste Duits. Het ‘machte niks’. Het kenteken van de ambulance begon met mijn initialen: FK. De kosmos had het weer goed met me voor, dacht ik optimistisch. Maar helaas, de röntgenfoto zei iets anders. Enkel gebroken. Operatie nodig. Einde vakantie.
Ik had geluk. Mijn vriendin met wie ik was, is een topchauffeur, die me in haar eentje in één streep naar huis bracht. Ik heb de bergen gezien en gevoeld. Ik was omringd door superfijne mensen. En ik heb geleerd dat ik nooit meer in de bergen ga wandelen zonder twee goeie stokken. En dat ik die dan eerst bij Dirk ga kopen, want mijn held heeft tegenwoordig een winkel met outdoor-artikelen in Beerse, met de toepasselijke naam ‘De wandelstok’. Ik stel voor dat iedereen daar vanaf nu zijn spullen koopt.