Begin zestiger jaren zat Rob Reneman in een Oostenrijkse hotellobby, toen hij aangesproken werd door een heer. In de loop van het gesprek bood deze hem een vertegenwoordiging aan in Nederland, “van een bepaald soort aansteker waarvan ik de naam ben vergeten.” Reneman, destijds werkzaam in het Centraal Militair Hospitaal in Utrecht als dienstplichtig arts, was in Oostenrijk om de zaken van zijn jong overleden vader af te handelen, die een im- en exportbedrijfje had. Rob ging niet op het aanbod in. “Later hoorde ik dat dat bedrijf miljoenenomzetten maakte, haha!” Het imposante wetenschappelijke en bestuurlijke CV dat hij sindsdien opbouwde, maakt alles goed. Een gesprek met de inmiddels 79-jarige ‘founding father’ van CARIM over politiek, Amsterdam, intuïtie en knikkeren.

Zijn rode pennetje, waarmee hij manuscripten van promovendi te lijf ging, is legendarisch. Het kweekte een onderzoekscultuur binnen CARIM die tot op de dag van vandaag als zeer gedegen te boek staat. Zijn natuurlijke vermogen om basaal onderzoek en klinische toepassing met elkaar te verbinden is nog zo’n kernwaarde die CARIM groot heeft gemaakt. Maar vooral: samenwerking.
In twee uur tijd noemt hij minstens vijftig namen van mensen met wie hij prettig heeft samengewerkt, of mensen die in een bepaald vakgebied beter zijn dan hij, mensen van wie hij geleerd heeft, mensen die hij veelbelovend acht. Een enkele keer komt hij niet op een naam, wat eigenlijk niet des Renemans is, “maar ja, de leeftijd, he!”, verzucht hij. “Het aantal grijze cellen neemt af en ik moet goed opletten  waarvoor ik ze inzet.” In 2014 was dat onder meer voor de evaluatie van het cardiovasculaire programma in Utrecht als voorzitter van de internationale commissie, het voorzitterschap van de International Scientific Advisory Board van het Center for Translational Molecular Medicine (CTMM), maar ook het schrijven van twee artikelen samen met drie collega’s op leeftijd: Ger van der Vusse, Theo Arts en Jim Bassingthwaighte uit Seattle. Het onderwerp: vrije vetzuuropname in de hartspier. Vrije vetzuren zijn de belangrijkste energiebron voor het hart, maar hoe die opname verloopt, is nog steeds onduidelijk. “We denken nu op basis van basale fysicochemische principes, vertaald in een door Theo ontwikkeld model, grip te hebben op hoe lipofiele substanties celmembranen en waterige compartimenten passeren en opgenomen worden in de hartspiercel. Dat beginnen we nu ongeveer te begrijpen. Het leven lijkt eigenlijk simpeler te zijn dan je denkt. Dit is mijn laatste hoogstandje.”

Hobby

In 2015, als hij tachtig wordt, is het een mooie tijd om te stoppen, denkt hij. “Ik lees ook graag een boek, fotografeer graag  en ik merk de laatste jaren, dat het vroeg opstaan me slechter af gaat.” Eerder was stoppen nooit een optie. “Werken is mijn hobby. Ik was 67 toen het presidentschap van de KNAW afliep. Ik kreeg een emeritusstatus met een nul aanstelling aan de universiteit, heb anderhalf jaar bijgelezen en kon weer mee.” De afgelopen twee jaar heeft hij naar eigen zeggen al afgebouwd, door geen nieuwe projecten meer te beginnen als er iets afliep. “Dit jaar eindigt CTMM, dat is dan ook klaar. Ik heb altijd projectmatig gedacht. En met CARIM heb ik de afspraak dat ze me weten te vinden als het nodig is.” Hoewel hij trotser is op zijn wetenschappelijke prestaties , zoals de succesvolle initiatie van programma’s op het gebied van microcirculatie, vasculair ultrageluid (samen met Arnold Hoeks)  en hartspiermechanica, -activatie en – metabolisme, noemt hij CARIM zijn kind. “Dat laat je niet los.” Hij vindt het geweldig te zien dat de onderzoeksgebieden die hij geïnitieerd heeft, zo uitstekend voortgezet worden door de volgende generatie.

Auto met chauffeur

Rob Reneman werkte twee jaar bij Janssen Farmaceutica in België, toen hij in 1974 uitgenodigd werd voor een gesprek in Maastricht, waar de medische faculteit opgericht werd. “Bij Janssen was ik hoofd van de afdeling Life Sciences en  verantwoordelijk voor zo’n zestig mensen uit zeven disciplines. Als je daar je huiswerk deed voor de productontwikkeling, had je alle vrijheid en geld voor basaal onderzoek. Het was heerlijk. Als een bestaande universiteit me had gevraagd, was ik er nooit vertrokken. Maar de uitdaging om iets nieuws te kunnen beginnen, trok me. Qua salaris ging ik achteruit en ook de auto met chauffeur liet ik achter me, maar mijn vrouw Wijnanda was daar altijd geweldig in. Ook toen ik in 1970 voor een post-doc naar Seattle kon, vanuit een baan als cardio-anesthesist, zei ze: ‘Hebben we brood en kaas voor de kinderen? Nou, dan gaan we’.”

Samen knikkeren

Zijn vrouw die van oorsprong operatiezuster is en later Nederlands studeerde, ontmoette hij overigens niet tijdens zijn studie geneeskunde. “We hebben op ons twaalfde nog geknikkerd samen”, lacht hij. “Ze komt oorspronkelijk uit Geleen. Onze ouders waren bevriend en ze bezochten elkaar jarenlang in respectievelijk Amsterdam en Limburg. Haar protestantse ouders waren zo bang dat ze in Limburg met een katholieke jongen thuis zou komen, dat ze haar naar Amsterdam stuurden voor haar opleiding. Ik ging toen ook net studeren en toen was het kassa, nu zo’n 61 jaar geleden.” De regio Maastricht was hem dus al jong vertrouwd.

Gezamenlijk sterk

Zijn opdracht in Maastricht, waar hij eerste parttime en vanaf 1975 fulltime begon als hoogleraar Fysiologie, was het opzetten van de vakgroep Fysiologie en een programma hart- en vaatziekten. Een jaar later werd besloten dat onderzoeksgeld niet naar de vakgroepen ging, maar naar de projectorganisatie. “Daarmee werd feitelijk de basis voor CARIM gelegd. Toen het in 1988 wettelijk mogelijk werd een meer onafhankelijk instituut op te zetten binnen een universiteit, waren we samen met het Instituut voor Farmacie in Leiden de eerste in Nederland.” Al in de jaren ervoor werkte Reneman hard om de drie huidige hoofdlijnen van onderzoek binnen CARIM tot stand te brengen. “We wilden ons gezamenlijk sterk maken. Er was geld om goede mensen uit heel Nederland naar Maastricht te halen. We konden eisen stellen. Een hoogleraar die Europees tot de top behoorde, maar zich niet wilde conformeren aan een gezamenlijk onderzoeksprogramma, lieten we dus lopen. Mijn taak was het de onderzoekers onderling af te stemmen, maar toch in hun waarde te laten, dit met de nimmer aflatende steun van Rob van der Zander die van begin af aan de ontwikkelingen meegemaakt heeft.” Ook wil hij nog wel even kwijt dat hij vanaf het begin veel steun gekregen heeft van de toenmalige decanen, Harmen Tiddens en Co Greep, “Beiden helaas overleden”, om zijn ideeën door te voeren.

Zorgen

Terugkijkend waren die eerste jaren de beste uit 25 jaar CARIM-geschiedenis, denkt hij. “We konden toponderzoekers aantrekken, we haalden in sommige jaren twee grote programmasubsidies binnen, ontvingen stimuleringsgelden van NWO en verwierven Europese subsidies. De kracht was ook dat er niet volgende week een publicatie hoefde te zijn. We konden in alle rust werken aan nieuwe ontwikkelingen, waarmee we fantastisch hebben gescoord.” De moeilijkste jaren begonnen wat hem betreft na het vrij plotselinge vertrek van Mat Daemen in 2011 als wetenschappelijk directeur. “Er was geen opvolger; een breuk met het hiervoor gevoerde beleid. Voordat ik terug trad, was al twee jaar bekend dat Harry Sruijker Boudier mij zou opvolgen. Ook was van te voren bekend, dat Mat Harry op zou volgen. Door onder andere miscommunicatie heeft het anderhalf jaar geduurd voordat Thomas Unger hier begon na Mat zijn terugtreden. Zo’n interregnum kun je niet hebben in de internationale competitie. Andere instituten in het land heb ik zien instorten bij het vertrek van de leider, omdat de opvolging niet goed geregeld was en ook hier leed de coherentie eronder. Ik ben bij alle bestuurlijke echelons langs gegaan omdat ik me grote zorgen maakte.”

Algemeen belang

Hij heeft er altijd voor gewaakt om zijn opvolgers niet voor de voeten te lopen. “Alleen als iets in het algemeen belang is, zoals toen, bemoei ik me ergens mee.” Het algemeen belang dienen is één van de tips die hij anderen kan geven. “Het is moeilijk te zeggen waarom de één succesvoller is dan de ander, maar ik denk dat naast kennis en creativiteit, sociale vaardigheden cruciaal zijn. Wat niet betekent dat je iedereen te vriend kunt houden; dat is onmogelijk als je een academisch instituut leidt. Je zult mensen teleur moeten stellen;  ik zeg wat ik denk. Ik probeer mensen te overtuigen op basis van argumenten. Ik kan en wil  niet discussiëren over randverschijnselen en ik kan een ander geen vliegen afvangen. Met politiek heb ik dus niks.” Toen hij eens gepolst werd voor een ministerspost onderwijs en wetenschap, had hij dan ook maar een halve minuut nodig. “Daar ben ik volslagen ongeschikt voor. Ik zou binnen een week door de kamer weggestuurd worden, omdat ik zeg wat ik denk.” Vaak wordt zo’n mening voorafgegaan door: ”Ik ben maar een eenvoudige Amsterdammer…”

Amsterdam

Als hij over Amsterdam praat, wordt hij bijna net zo enthousiast als wanneer het over onderzoek gaat. “Er is maar één stad voor mij. Amsterdam is emotie. Als ik langs die grachten loop, wat we gelukkig nog heel vaak doen,  krijg ik een heel blij gevoel.  Dwalend door Amsterdam, zie ik de plekken waar ik op straat heb gevoetbald. In een café heb je altijd een praatje. Maastricht is ook niet verkeerd wat dat betreft. Deze stad is het enige alternatief voor Amsterdam heb ik vaak gezegd.” Hij werd als enig kind geboren in een ”gegoede volksbuurt”. Zijn ouders stuurden hem naar een gereformeerde basisschool. “Dat heb ik geweten. Ik wist als kind dat er iets niet klopte, maar ik kon het niet onder woorden brengen. Het was geen leuke tijd. Op maandagmorgen werd gevraagd wie er naar de kerk waren geweest. Mijn vriend, die ik al sinds mijn derde ken en met wie ik vorige week nog ben gaan eten, en ik waren de enigen die hun vinger niet opstaken. Dan was je outcast.”

Hongerwinter

Hij herinnert zich de Tweede Wereldoorlog nog goed; van zijn vijfde tot zijn tiende. “De razzia’s staan nog op mijn netvlies. Ik heb de Hongerwinter meegemaakt, dat was verschrikkelijk. Ik zag mensen op straat in elkaar zakken van de honger. Mijn vader maakte koekjes van suikerbieten met microscopische hoeveelheden meel. We hadden nog geluk dat er twee boeren in de familie zaten en dat mijn vader sigarettenpapier had om te ruilen vanuit zijn bedrijfje. De oorlog is een zwarte vlek in mijn gedachten gebleven.” Ook het verlies van twee kinderen, het eerste na twee dagen en het vijfde op 31-jarige leeftijd was zwaar en is het soms nog. “Zakelijke problemen of tegenslagen laat ik na 24 uur achter me. Je leert wel van je fouten, maar het is gebeurd en voorbij. Privé ligt dat helemaal anders.” Ondanks alles noemt hij zichzelf een zondagskind. “Op het overlijden van twee kinderen na, is mijn leven van een leien dakje gegaan. Ik ben nooit zelf achter de hoogleraarsstoel aangegaan destijds, of het presidentschap van de KNAW in 1999. Maar misschien gebeurden die dingen ook wel omdat ik hard heb gewerkt, met oog voor het algemeen belang. Tachtig-urige werkweken waren niet vreemd. Als ik een idee heb, wil ik dit het liefst meteen verwezenlijken of uitzetten. Ik ben een regelneef. Mijn vrouw heeft onze kinderen fantastisch opgevoed, hoofdzakelijk alleen. Als ik ’s avonds laat uit de kliniek thuis kwam, haalde ik de kinderen vaak nog even uit bed om te spelen, anders zag ik ze niet. Dat is later gelukkig veel beter geworden. Onze band is toch heel goed. Een aantal keren per jaar komen ze allemaal naar Maastricht met als hoogtepunt het kerstdiner met 23 personen.” Reneman heeft inmiddels negen kleinkinderen, inclusief het kind van hun “aangewaaide” dochter.

Veelbelovende mensen

Tot slot nog even over zijn 25-jarige kind: CARIM. Hoe ziet hij de toekomst? “Ik vrees dat er geen makkelijke periode komt, bijvoorbeeld doordat belangrijke financieringsbronnen als CTMM, waarin we heel goed gescoord hebben, stoppen. Ik vind dat de universiteit meer rekening zou kunnen houden met z’n beste instituten. Deze hebben door de bezuinigingen geen flexibel geld meer om beleid te voeren, zoals het inspelen op nieuwe ontwikkelingen en het bieden van een goede carrièremogelijkheid aan jonge toponderzoekers. Ik ben heel blij met het tenure trackprogramma van CARIM, waaraan zeer veelbelovende mensen deelnemen. Met name de jonge vrouwen met kleine kinderen thuis, die het goed doen, bewonder ik. Het beste wat ik jonge onderzoekers kan aanraden is: kies je eigen pad en geloof vooral in jezelf. Volg je intuïtie en heb een open oog voor wat er in de tuin bij de buren opbloeit. Wordt niet monomaan! Daar heb ik althans heel veel aan gehad in mijn leven.”