Skip to main content

‘Hij wil later prinses worden’, zo begon ik dertien jaar geleden een stukje over onze zoon. Hij zat in de ‘prinsessenjurken-fase’ en carnaval bleek ineens toch een leuk feest; een feest waarop hij zorgeloos in het openbaar prinses kon zijn. De fase ging voorbij. Zo dachten we tenminste. De hele basisschool-periode speelde hij met tractors en plastic pistolen. Stiekem dook hij soms de kledingkast van zijn zusje in, vertelde hij laatst. Nooit dachten we dat het vrouwelijke in zijn wezen dominanter zou blijken dan het mannelijke, ook al had hij altijd lang haar.
Inmiddels is de zeventiende verjaardag aanstaande en voelt het al wat ongemakkelijk om ‘hij’ te schrijven. Zo’n drie jaar geleden vertelde ze mij, als eerste in ons gezin, dat ze zich meer vrouwelijk dan mannelijk voelde. Ik mocht het zelfs niet aan papa vertellen, want dat was een man en ze wist het ook allemaal nog niet zeker. Toen ze een half jaar later meisjeskleren wilde kopen om thuis te dragen, stelde ik voor het nu ook aan papa en zusje te vertellen, zodat ze in ieder geval thuis onbezorgd kon experimenteren. Ook papa reageerde meteen steunend. Zusje klapte verrukt in haar handen en vroeg of ze dan ook make-up wilde proberen. ‘Nee, ik denk het niet’, zei ze, maar een paar weken later trof ik ze samen in de badkamer voor de spiegel, waar ze ‘wings’ rond hun ogen tekenden.
Inmiddels gaat ze naar een logopedist waar ze leert haar kopstem te gebruiken. Ze staat op de immens lange wachtlijst van de genderpoli in Nijmegen. Inmiddels hebben we als gezin gesprekken met een systeemtherapeut om ons te begeleiden in deze meervoudige transitie. We hebben inmiddels geen zoon meer, maar twee dochters. De naam die we met zoveel trots en liefde kozen, wordt thuis niet meer gebruikt, behalve als iemand zich verspreekt. Er is een nieuwe naam, die we ook prima vinden.

Er zijn zorgen over hoe de transitie straks uitpakt als de hormonen en mogelijk operaties starten. Niet bij haar overigens; zij noemt het ‘a walk in the park’. Zorgen over acceptatie door de omgeving. Er is verdriet. Vooral wanneer die omgeving vanuit onbegrip of vooroordelen reageert. Er was twijfel. Dit is geen verhaal waarbij wij als ouders zeggen: ‘Nu begrijpen we eindelijk waarom ons kind zo ongelukkig/anders/meisjesachtig was’. Hoe kán het dan kloppen? Is dit niet ook ‘gewoon een fase’?
Ik ging met haar naar de film ‘Met zonder ballen’, waarin de moeder van een transzoon zich ook afvraagt: ‘Hoe is het mógelijk?!’ Haar slotboodschap was troostend: ‘Ik heb mijn kind nog nooit zo gelukkig gezien als na de transitie.’ Inmiddels heb ik mijn inwendige verzet tegen de realiteit gestaakt. De realiteit dat onze dochter in het verkeerde lichaam is geboren. En dat ze in dit zware traject vooral baat heeft bij onze steun. Er is trots. Op hoe ze functioneert in het dagelijks leven, ondanks wat ze nog voor de boeg heeft. Hoe ze als een ware stoïcijn omgaat met de onoverzichtelijke wachtlijst. Hoe ze in haar klas vertelt hoe het zit en stapje voor stapje haar eigen stijl, haar eigen identiteit ontwikkelt.
En toen kwam carnaval. Eerder had ze nooit enige interesse in het schoolfeest. Tot dit jaar. Vol in de make-up en gekleed in haar nieuwe stijl ging ze carnaval vieren. Haar geheim liet ze achter bij de ingang. Ze vond het ‘heerlijk om zichzelf te zijn’. Kreeg geen nare reacties, hooguit wat onderzoekende blikken. Ik wens haar toe dat dat ook de komende jaren de teneur is, zoals ik het alle transgenders van harte gun. Dat ze mag worden wie ze is. Niet alleen met carnaval, maar in het volle licht.

De ‘prinsessen-column’ van dertien jaar geleden lees je hier.
Foto: Polina Kuzovkova, Unsplash