“Is er een liedje dat voor haar extra bijzonder is?”, vraag ik als ik op de kamer kom met mijn gitaar. Ik heb de zoon en zijn vrouw zojuist in de gang getroffen, waar ze vertelden dat het snel achteruit gaat met moeder. Hoe ze in slaap was gebracht, maar nog regelmatig wakker werd en hoe ze twee dagen geleden nog met plezier had gekeken naar de foto’s en filmpjes van haar 91e verjaardag. Ik speelde die middag wat liedjes tijdens het vlaaimoment op de afdeling. “Zou ze het fijn vinden om nog wat liedjes te horen aan haar bed?”, bood ik aan. Daar bleken ze zelf ook al aan gedacht te hebben, dus heel graag ja.
Op de vraag of er een bijzonder liedje voor haar is, zegt de zoon: “Misschien iets van Toon Hermans. Ze zei altijd dat ze als kind nog met hem heeft gespeeld.” Met een leeftijdsverschil van bijna twintig jaar lijkt dat onwaarschijnlijk, maar in de omgang met mensen met dementie gaat het niet om waarheidsvinding. Dit is haar verhaal, haar werkelijkheid. En ik weet meteen dat er dan maar één passend liedje is.
De eerste keer dat ik Toon Hermans ‘In ’t graas van de wei’ hoorde zingen, was op de uitvaart van mijn schoonmoeder, dertien jaar geleden. In zacht dialect zong Toon over liefde, thuis en het leven loslaten. Ik hield het niet droog, met de hand van mijn schoonvader in de mijne. Een dik jaar later was hij klaar om zijn vrouw achterna te gaan. Zonder haar was er voor hem weinig meer aan, zo zei hij vaker. Toen hij in het ziekenhuis lag, in wat zijn laatste weken bleken, zat ik aan een kerstontbijt met een grote groep collega’s. Er was een live-zangeres. “Kennen jullie het liedje ‘In ’t graas van de wei’ van Toon Hermans?”, vroeg ze op zeker moment. Ze begon en ik kon nog net op tijd wegkomen naar het toilet. Twee weken later overleed mijn schoonvader en speelde het lied opnieuw, op zijn uitvaart.
Ruim tien jaar later zing ik het liedje af en toe, met mijn gitaar. De weemoed in de tekst en de melodie maakt het voor mij zo bijzonder, gekoppeld natuurlijk aan de herinnering aan mijn schoonouders. Ik kan het inmiddels zingen zonder tranen, thuis.
Nu zit ik op een krukje aan het bed van deze dame, die ‘de allerliefste moeder’ is geweest voor haar zoon en zijn vrouw. Ze staan aan haar voeteneind. Ik tokkel met enigszins trillende vingers de akkoorden.
Moeder slaapt.
Ik zing.
Ze huilen.
Ik niet.
Ik voel wel van alles: de liefde die tussen deze drie mensen stroomt, weemoed om de eindigheid van het leven, en blijde verwondering dat ik dit mag doen. Dat ik dit kán doen, met dit lied, dat ze nog niet kenden, maar meteen opschrijven voor later. En ik besef: het inzetten van je eigen beetje levenservaring ten dienste van een ander, in dit geval als katalysator van verdriet, of troost, is een belangrijk aspect van het werk van de geestelijk verzorger. En ik voel: mooier werk bestaat niet.








